Vertraagde spontaniteit
over het werk van Pieter Obels

“Wonderlijk” is het woord dat Pieter Obels opvallend vaak in de mond neemt wanneer hij over zijn werk en inspiratiebronnen spreekt. En terecht, de manier waarop alles samenhangt is echt wonderlijk. Hij ervaart het wonder, hij neemt het waar en hij zoekt het keer op keer nieuwsgierig op, met zijn kenmerkende zucht naar praktische avontuurlijkheid.
Wanneer we ons in het werk van beeldhouwer Pieter Obels willen verdiepen, moeten we op een veel zintuiglijker en fysieker manier gaan denken dan we wellicht gewend zijn. Allereerst, bepaalde aspecten van zijn werk berusten eenvoudig op visuele waarneming. Dat is gemakkelijk vast te stellen. Hij heeft een voorkeur voor de vloeiende, in curven en spiralen verlopende groeipatronen van talloze organismen die hij in de natuur aantreft, alsook voor de organisch aandoende processen van aantasting door water

Verder moeten we ook beseffen dat dit werk voor de kunstenaar fysiek zwaar en technisch veeleisend is, willen we het werkelijk begrijpen. Zijn beheersing van deze fysiek-technische kant van het werk is niettemin zo vloeiend dat hij spontaan en improviserend kan werken, alsof hij luchtige, speelse schetsen maakt met het weerbarstige en bewerkelijke cortenstaal. Bijna alsof hij boetseert of hout bewerkt. Al doet zijn materiaal dan ook anders vermoeden, dit is heel ambachtelijk handwerk waarin hij een zodanige virtuositeit heeft bereikt dat hij de werken bewust een ‘handgemaakte afwerking’ meegeeft. De wil van het materiaal zelf, toevallige details en zijn persoonlijke fysieke mogelijkheden en beperkingen, horen allemaal thuis in het eindproduct.

Maar er is meer, want Obels reproduceert niets van wat hij aantreft in de natuur. Het lijkt er meer op dat hij iets zoekt, iets in hemzelf dat keer op keer gevonden wil worden. De wijze waarop dit gebeurt, is door zich telkens opnieuw te laten raken, in de vorm van inzichten en vondsten, waarvan sommige zuiver visueel zijn, maar waarvan de meeste mentaal en gevoelsmatig zijn. “Zoeken, zien, gebeuren”, zoals hij het zelf bondig samenvat, want zodra hij ‘het’ ziet, gebeurt het weer. Noem het een flits van inspiratie, een vlaag van herkenning of het zekere gevoel dat alles op z’n plek valt.
Obels is iemand die voortdurend gedachten en waarnemingen combineert, nieuwsgierig en vol verwondering. Wanneer hij de krant doorneemt, een roman leest, een gesprek voert of een stuk met de auto rijdt. “Door alert te blijven op verbanden, help ik mezelf nieuwe beelden te maken, buiten mijn comfortzone”, dus zonder in de herhaling en de variatie op de eigen successen uit het verleden te vervallen, wat voor elke ervaren kunstenaar vaak ongemerkt op de loer ligt. Hij ziet steeds opnieuw hoe alles wat hij waarneemt en ervaart in elkaar grijpt op vaak wonderlijke wijze: vraagstukken worden opgelost en nieuwe kansen openen zich door artikelen en advertenties die op dezelfde krantenpagina verschijnen, terloopse opmerkingen van zijn dochters, tentoonstellingen op de juiste plek op het juiste moment, boeken die op een toepasselijke pagina openvallen, plannen die niet doorgaan waardoor veel interessantere activiteiten kunnen plaatsvinden. Het is een levensstijl die vanzelfsprekend in zijn werk vloeit.
Eigenlijk is er een doorlopend ‘feest der herkenning’ in alles wat hij doet, tegenkomt en verzamelt. Zijn werk is als een zelfportret op wezenlijk niveau, van dat deel van zijn wezen dat zichzelf herkent in alle organische verbanden (fysiek, mentaal, gevoelsmatig) die natuurlijke groeipatronen laten zien: rondgaand, spiraliserend, krullend, enzovoort. Geen zelfportret dus op biografisch niveau, maar op het niveau van zijn meest wezenlijke aard. Tevens lijkt zijn werk iets te weerspiegelen van een innerlijke, vermoede orde – acausale verbanden tussen uiterlijke gebeurtenissen of objecten waar onmogelijk een logisch verklaarbare relatie tussen kan zijn. Het fascinerende daarbij is dat hij ons geen caleidoscoop toont van symbolisch samenhangende voorwerpen en geschiedenissen, zoals wellicht een jungiaans of postmodern schrijver ons zou voorschotelen, maar iets veel eenvoudigers en eleganters, namelijk het soepele en levendige karakter van de achterliggende verbanden zelf. Alsof hij een kijkje kan nemen achter de coulissen van onze werkelijkheid om daar te stuiten op een levendige, organische en volstrekt natuurlijke ordening die doorlopend groeit en verandert, terwijl ze de meest uiteenlopende zaken met elkaar verbindt. Obels zelf noemt dit verband achter de coulissen “het verhaal”, waarmee hij niet een ‘verhaal’ in conventionele zin bedoelt, maar de organische, verbonden en diepzinnige ordening achter de dingen die zich wel laat vermoeden, maar niet laat aanwijzen.

Zoals gezegd, de staalsculpturen komen heel spontaan tot stand. Hij lijkt de kunst te beheersen om te werken met een ‘vertraagde spontaniteit’. Waar de meesten van ons een hoog tempo en zo min mogelijk gedachten nodig hebben om spontaan te kunnen zijn, daar kan Obels langdurig en traag een frisheid van kijken en doen bewaren. Soms begint hij een werk met een uiterst informele en snelle losse schets. Die ‘schets’ is eigenlijk meer de registratie, of notitie, van een innerlijk gevoelde beweging met een bepaald ritme en balans, die globaal richting en ruimtelijke verbanden aangeeft. Voor Obels, gaat het er dan, nogmaals, niet om waartussen die verbanden worden gelegd of waarheen de richting wijst, maar gaat het erom dát er verbanden worden gelegd op een energieke en organische manier die wervelt, draait, spiraalt en groeit. Andere keren begint hij ‘zomaar’ met het staal te werken – iets wat voor de meesten van ons moeilijk voor te stellen is – afgaande op het “het verhaal” dat hij dit keer in zich voelt.

Obels’ vertraagde spontaniteit gaat vervolgens een wisselwerking aan met het zware en tijdrovende ambacht dat het werk met zich meebrengt. De vele uren buigen, lassen, zagen en polijsten maken dat hij gaandeweg in het werk komt te zitten dat hij onder handen heeft. En dat is belangrijk, want Obels illustreert niets en hij maakt ook geen voorstellingen. Hij brengt iets tot leven in zijn werk dat daar alleen maar in kan komen wanneer Obels tijdelijk ‘verblijft’ in zijn sculpturen. Later geeft de relatief tijdrovende afwerking de werken op hun beurt juist de gelegenheid om in hem te komen, zoals hij het zelf formuleert. De fase van afwerking brengt zodoende weer een innerlijk proces van ideeënvorming op gang, met het oog op toekomstige werken. Het is de meest vruchtbare fase van het werk. Als een oogst waarvan de zaden direct opnieuw geplant worden, om uit te groeien tot de verbanden die hij om zich heen ziet en binnenin zichzelf ontdekt. Zo behoudt zijn werk z’n oorspronkelijke inspiratie en authenticiteit.

Vincent Botella